Mijn onderzoeksstage: Van politieverhoor naar proces-verbaal

Een krappe twee jaar geleden kreeg ik een mailtje van een docent met een interessante vacature voor een stage bij het NSCR. Ik was net druk bezig met de laatste afrondingen van de opleiding Communicatie- en Informatiewetenschappen en wilde daarnaast dat jaar per se mijn propedeuse van Criminologie behalen. Eigenlijk had ik helemaal geen tijd voor een stage. Maar toch opende ik de bijlage en werd ik meteen enthousiast. Deze stage moest ik doen!

Deze post verscheen op 2 februari 2015 op de website van Crimelink onder de titel “Help, een stage! Mijn ervaring als stagiaire bij het NSCR” en werd geredigeerd door Archie Barneveld.

Het NSCR was op zoek naar studenten van de afdeling Taal & Communicatie met interesse in criminologie, of naar studenten van de afdeling Strafrecht & Criminologie met affiniteit voor taal. Ik voelde me zeer sterk aangesproken en dacht: dit ben ik. In de vacature stond dat ze iemand zochten voor vier dagen in de week. In een soort paniek besloot ik dat ik dan toch maar zou moeten uitlopen met mijn studie. Deze kans kreeg ik immers nooit meer. Tijdens het gesprek bleek al snel dat mijn stagebegeleiders redelijk flexibel waren en dat ik ook wel kon beginnen door twee dagen in de week te werken. Dat zou wel betekenen dat ik mijn hele zomervakantie fulltime op kantoor zou zitten, maar dat had ik er graag voor over.

Kijken, luisteren, lezen

NSCR staat voor Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving en is een onafhankelijk studiecentrum dat gevestigd is op de campus van de Vrije Universiteit. Het is onderdeel van NWO, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek. Binnen het NSCR zijn er drie zogenaamde themagroepen. De eerste is Mobiliteit van criminaliteit en kijkt naar variatie van criminaliteit in tijd en ruimte. Deze themagroep richt zich op situationele factoren. De tweede themagroep is Burger en strafrechtelijk systeem en kijkt naar de werking en effectiviteit van het strafrecht. Ook kijkt deze themagroep naar de legitimiteit van de rechtshandhaving en de wisselwerking met burgers. De derde themagroep is Levensloop, criminaliteit en interventies, die zich bezighoudt met levensloopcriminologie en risicofactoren voor crimineel gedrag.

Het onderzoek waar ik onderdeel van uitmaakte hoorde bij themagroep 2 en werd uitgevoerd in opdracht van Politie & Wetenschap. Het was een samenwerking tussen het NSCR en de Universiteit Leiden en ging over de vastlegging van verdachtenverhoren. In Nederland is het gebruikelijk dat verdachten op het politiebureau worden verhoord en dat wat de verdachte tegen de politie zegt, als bewijs wordt gebruikt in de rechtszaal. Waar in Angelsaksische landen sterk wordt geleund op wat de verdachte tijdens de rechtszaak zegt, leunt de Nederlandse rechter zwaar op schriftelijke weergaven van politieverhoren: processen-verbaal (pv’s). Steeds vaker worden verhoren opgenomen, zodat de rechter indien gewenst kan terugluisteren wat er daadwerkelijk in het verhoor is gezegd. De centrale vraag van het onderzoek was: welke invloed heeft het gebruik van audiovisuele middelen op de inhoud van het pv, op het oordeel op de aannemelijkheid van het verhaal van de verdachte en op de controlemogelijkheden van de rechter? In het onderzoek werd onderscheid gemaakt tussen verhoren in drie vormen: opnames op beeld, opnames met alleen geluid en schriftelijke weergaven. De titel van het onderzoek was daarom: kijken, luisteren, lezen.

De opdracht

Aan mij werd gevraagd om met oud materiaal aan de slag te gaan en een taalkundige vergelijking te maken tussen processen-verbaal en de bijbehorende verhoren. Voordat het effect van beeld, geluid en schrift op de rechter werd gemeten, wilden de onderzoekers namelijk eerst weten hoe het eigenlijk met processen-verbaal gesteld was. Ik had 24 pv’s en 24 geluidsopnames van verdachtenverhoren tot mijn beschikking. De verhoren waren opgenomen in 1997-1998 en 2007-2008 door respectievelijk Martha Komter, mijn stagebegeleider, en Tessa van Charldorp, de docent die me op de stage geattendeerd had. Zij hadden ook al transcripties van de geluidsopnames gemaakt, waarin ze alles wat ze hoorden hadden weergegeven. Beide onderzoekers zijn opgeleid als taalkundige en de transcripties bevatten daarom een heleboel details. Gelukkig had ik ervaring met het uitwerken van gesprekken en kon ik gebruik maken van de bestaande transcripties.

Aan de slag

Het NSCR werkt met flexplekken, wat betekent dat alleen de vaste medewerkers een eigen bureau en computer hebben en de stagiaires kunnen werken aan wisselende bureaus. Dat betekende dat ik op plekken kwam te zitten die niet noodzakelijkerwijs in de buurt waren van het kantoor van mijn begeleider Martha. Daardoor werkte ik veel zelfstandig aan het project. Ik had met Martha afgesproken om te beginnen met literatuuronderzoek en begon dus met het zoeken van relevant materiaal. Eén keer in de week kwamen Martha en ik samen en bespraken we mijn bevindingen en voortgang.

Door de inzet van flexplekken kreeg ik een goed beeld van het hele kantoor en deelde ik een kamer met verschillende collega’s, waaronder enkele docenten van de VU. Meestal had ik echter een kantoor voor mezelf. Op een dag zat ik in het kantoor van een onderzoeker met een ergonomische muis. Ik kon er gewoon niet mee overweg. Toen ik na urenlange frustratie uit wanhoop het hele kantoor begon af te zoeken kwam ik een normale muis tegen. Met een zeker gevoel van triomf stopte ik hem in de computer – en kwam er toen achter dat het draadje te kort was. Gelukkig heb ik dat kantoor de rest van mijn stage weten te vermijden.

Op een gegeven moment had ik de belangrijkste literatuur wel bij elkaar verzameld en kon ik een onderzoeksopzet maken. De van tevoren vastgestelde onderzoeksvraag was welke verschillen er bestonden tussen de transcripties van de verhoren en de bijbehorende processen-verbaal. Ik deelde die vraag op in drie onderdelen:

1. Welke informatie wordt weggelaten bij het opmaken van een proces-verbaal?
2. Welke informatie wordt veranderd?
3. Welke informatie wordt toegevoegd?

Omdat er drie verschillende stijlen waren waarin de pv’s waren opgemaakt, kon ik met deze vragen ook een verschil zoeken tussen de pv-stijlen.

De drie pv-stijlen

De drie stijlen waren al beschreven door Tessa van Charldorp en zijn het best te onderscheiden door het geven van een voorbeeld. Stel, tijdens een verhoor vindt de volgende conversatie plaats:

Politieagent: Heb je de ketting gestolen?
Verdachte: Nee
Politieagent: Heb je de ketting wel gezien?
Verdachte: Nee

Deze uitwisseling van vraag en antwoord – in de conversatieanalyse ook wel sequentie genoemd – kan op verschillende manieren worden opgeschreven:

  • Ik heb geen ketting gestolen. Ik heb geen ketting gezien.
  • U vraagt mij of ik een ketting heb gestolen. Ik verklaar u dat ik geen ketting heb gestolen. U vraagt mij of ik wel een ketting gezien heb. Nee, ik heb ook geen ketting gezien.
  • Vraag: Heb je de ketting gestolen?
    Antwoord: Nee
    Vraag: Heb je de ketting gezien?
    Antwoord: Nee

In het eerste geval wordt het proces-verbaal opgemaakt alsof het één groot verhaal van de verdachte is. Het wordt daarom de monoloogstijl genoemd. De vragen van de agent worden in de monoloogstijl niet opgeschreven in het pv. Bij de tweede optie wordt de vraag wel in het pv opgenomen, maar wordt het gehele pv vanuit het perspectief van de verdachte geschreven. Dat geeft gekunstelde zinsconstructies, die we de gerecontextualiseerde monoloogstijl hebben genoemd. Ten slotte is er de vraag-antwoordstijl, waarin het gesprek wordt opgeschreven als een gesprek tussen twee personen.

Een kantoor delen

Om me het materiaal eigen te maken, begon ik met het controleren van de transcripties. Daarvoor moest ik alle verhoren helemaal afluisteren. Dagen bracht ik door met luisteren en meelezen. Langzamerhand werd het vakantie en raakte het kantoor leger en leger. Mijn begeleider werkte maar twee dagen in de week, en ging een aantal weken op vakantie, dus de meeste dagen was ik sowieso verzekerd van een eigen plek. Dat betekende dat ik samen op kantoor zat met de Zwitserse onderzoeker Christian, met wie Martha haar kantoor deelde. Ik werd al snel dol op Christian, de hardwerkende onderzoeker die steevast bezweet en hijgend op kantoor kwam, waar hij keurig zijn fietshelm afdeed en in de kast plaatste. Hij was altijd vrolijk en altijd in voor een praatje. Vooral als ik net midden in een verhoor zat en de verdachte wat zachter begon te praten. Of als de agent door de verdachte heen begon te praten en ik probeerde de transcriptie aan te vullen. Een aantal keer per week klopte een collega-onderzoeker van Christian aan om over hun gezamenlijke project te praten. Ik vroeg me sterk af waarom ze in hemelsnaam niet samen op een kamer werkten. Maar het maakte me niet uit, want ik vond het hartstikke gezellig. En Christian stond altijd klaar om me te helpen met bijvoorbeeld methodologische vraagstukken.

Op een dag kwam Christian terug van de lunch en vertelde met een big smile dat hij net had gehoord dat typische nerds altijd een spijkerbroek met een wit T-shirt droegen. Langzaam gleden mijn ogen over zijn outfit: een vale spijkerbroek met een wit T-shirt. Even keken we elkaar aan en toen begonnen we te lachen. Een vriendschap was geboren.

Christian was er altijd. Rond een uur of half tien kwam hij binnen en hoe laat ik ook wegging, hij was er nog. Zelfs toen er een keer spontaan werd besloten om een vrijdagmiddagborrel te doen, ging hij daarna weer terug naar kantoor. Hij motiveerde me om altijd weer vroeg achter mijn computer te zitten, want ik had mezelf voorgenomen om er altijd eerder te zijn.

Ik voelde me steeds meer thuis op het NSCR. Dat moest ook wel, want ik bracht er bijna meer tijd door dan in mijn eigen huis. Mensen leefden echt op het NSCR. Zo kwamen er regelmatig kinderen op bezoek bij hun papa of mama. Als er iets te vieren was, zoals een verjaardag, was er taart en kwam iedereen bijeen. Twee onderzoekers trainden voor de halve marathon en kwamen af en toe in hardloopkleding het kantoor in. Iedereen was geïnteresseerd in elkaars werk, en het maakte niemand iets uit dat ik nog maar in de bachelorfase zat.

Kleuren en tellen

Martha liet me redelijk vrij in het indelen van mijn tijd en in de planning van mijn werkzaamheden. Dat betekende niet dat ik het gevoel had dat ik helemaal niets hoefde te doen. Ik hield me daarom aan mijn eigen deadlines en toen ik alle verhoren helemaal had afgeluisterd begon ik met het vergelijken met de pv’s. Ik gaf alle verschillen die ik tegenkwam een kleurtje. Wat werd weggelaten in het pv kreeg in de transcriptie een rode kleur. Alles wat werd toegevoegd kreeg in het pv een groene kleur. Alles wat werd veranderd werd in beide teksten roze. Toen ik alle verschillen gemarkeerd had, werd het tijd om de verschillen te gaan benoemen. Daarom probeerde ik op elk verschil een label te plakken en die labels te classificeren. Zo kwam ik tot de conclusie dat de meeste dingen die werden toegevoegd aan het pv een formeel karakter hadden. Zo werden juridische formaliteiten toegevoegd en werden veel zaken explicieter opgeschreven dan ze in het verhoor aan bod kwamen. Een voorbeeld hiervan is een man die wordt verhoord vanwege het handelen in verdovende middelen en die iemand anders aanwijst als betrokkene. Als de politie vragen over die mededader begint te stellen, reageert de verdachte erg terughoudend en antwoordt hij ontwijkend. Het gesprek verloopt als volgt:

1. Politieagent: Wil jij die man eh gaan herkennen van politiefoto’s.
2. Verdachte: De wie, wie Pascal?
3. Politieagent: Ja.
4. Verdachte: Of ik dat wil.
5. Politieagent: Ja.
6. Verdachte: Nou ja dat eh-
7. Politieagent: En waar woont ie.
8. Verdachte: Ik heb hem 6 jaren lang niet gezien dus ik weet niet precies waar
9. waar ie zit.

De verdachte krijgt uiteindelijk niet de kans om zijn antwoord op de vraag van de politieagent uit regel 1 af te maken, omdat er meteen een tweede vraag volgt (regel 7). De twijfelende houding van de verdachte in regel 4 en 6 wordt in het pv door de agent weggelaten en de agent schrijft expliciet op dat de verdachte wel wil meewerken:

“Verdere gegevens van deze man ken ik niet. Ik heb Pascal zes jaar niet gezien, dus ik weet niet waar hij zit/woont. Ik wil wel meewerken om zijn identiteit naar boven te brengen.”

Er kwamen geen noemenswaardige feitelijke onjuistheden in de pv’s voor. Wat wel opviel was dat de pv’s zeer kort waren. Daarom was het niet alleen interessant om te kijken wat er precies werd weggelaten, maar ook hoeveel er eigenlijk werd weggelaten. Om te beginnen heb ik geteld hoeveel vragen er in elk verhoor werden gesteld en hoeveel vragen er in de pv’s werden opgeschreven. Dat was bij de monoloogstijl natuurlijk niet relevant, want daarin worden per definitie geen vragen opgeschreven. Opvallend was dat ook in de andere stijlen slechts een klein gedeelte van de vragen werd opgeschreven. Het lijkt dus alsof die alle informatie van het gesprek weergeven, maar dat was lang niet altijd het geval. Daarna moest ik een manier vinden om de lengte van de verhoren te vergelijken met de lengte van pv’s. Het leek voor de hand te liggen om de lengte te meten door het aantal woorden te tellen, maar dat is bij een transcriptie lastiger dan het lijkt. In overleg met Martha heb ik daarom besloten om de lengte te meten in seconden. Bij de opnames hoefde ik alleen de pauzes van de totale duur af te trekken en de pv’s kon ik voorlezen en meten met een stopwatch. Dat was een vrij eenvoudige methode en kostte me per pv maar een paar minuten. De langste was 9,5 minuut. Het was wel raar om te doen, omdat ik in mijn eentje hardop tegen een stopwatch aan het praten was. Daarom kwam ik steeds eerder naar kantoor, om het kunnen te doen als mijn kamergenoot nog op de fiets naar kantoor zat.

Kijken, luisteren, … schrijven

Toen ik alles gekleurd, geteld, gelabeld en geclassificeerd had, werd het tijd om een stukje te gaan schrijven. Ik kon zes studiepunten voor de stage krijgen onder de noemer “tutorial” en moest dus een eindproduct leveren voor een cijfer. Langzaam begon mijn product vorm te krijgen en uit te dijen. Het verslag werd uiteindelijk ruim dertig pagina’s en werd beoordeeld door drie mensen. Ten eerste door Tessa van Charldorp, die de connectie met de VU vormde en van wie ik uiteindelijk een eindcijfer zou krijgen. Ten tweede natuurlijk door mijn begeleider Martha van het NSCR, die het proces al die tijd op de voet gevold had. Daarnaast werd het ook gelezen door Marijke Malsch, degene die bezig was met het grotere onderzoek Kijken, luisteren, lezen. Alle drie gaven ze me goede tips en nuttige feedback. Na een aantal versies gingen we steeds dichter naar een definitieve versie toe en ook de rest van het onderzoek schoot goed op. Steeds vaker was er een meeting met alle onderzoekers, waar ook Henk Elffers en Jan de Keijser bij aanwezig waren. Robin Kranendonk had een vergelijkbaar onderzoek gedaan als ik, maar dan met recentere verhoren van zware zaken – ik had alleen de eenvoudige kleine zaken – en het onderzoek ging naar de volgende fase. De onderzoekers zouden namelijk de effecten van tekst, beeld en geluid op het oordeel van de rechter meten. Omdat mijn deel van het onderzoek eigenlijk al was afgerond, de vakantie inmiddels voorbij was en het nieuwe studiejaar weer was begonnen, verdween ik langzaam naar de achtergrond. Ik kreeg wel de mails over de voortgang, maar kwam niet meer naar het NSCR voor de besprekingen of om te helpen bij het onderzoek. Wel kwam ik nog één keer terug voor een BBL-lunchlezing (brown bag lunches, zo ontdekte ik later), die een aantal keer in de maand rond lunchtijd wordt georganiseerd. Daar presenteerde ik mijn verhaal samen met Martha voor geïnteresseerde collega-onderzoekers.

De afronding

Ook al was ik klaar met mijn stage en stageverslag, voor de afronding van het overkoepelende onderzoek moest nog veel gebeuren. Marijke benaderde me of ze mijn stageverslag kon gebruiken voor in de publicatie van het onderzoek. Van tijd tot tijd kwamen er mails met proefversies van hoofdstukken en uiteindelijk zelfs een heel boek. Ik probeerde het zo goed mogelijk te lezen, maar concentreerde me vooral op mijn eigen stukjes en hoe die eruit kwamen te zien. Ik moest al genoeg lezen voor mijn eigen studie! Een paar maanden later begon het boek steeds meer vorm te krijgen en werd het goedgekeurd door de uitgever. Met enige vertraging werd het boek dan toch eindelijk echt gedrukt en kreeg ik een exemplaar in de brievenbus. Rond dezelfde tijd kreeg ik weer een mail van Marijke: ze had het onderzoek even kort samengevat in een artikel voor het Nederlands Juristenblad en wilde goedkeuring van de overige auteurs. Na een paar nuanceringen was er overeenstemming bereikt en werd ook deze publicatie goedgekeurd. Ongeveer een week nadat het boek uit was kwam er een enveloppe met het NJB in de brievenbus. De resultaten van het onderzoek werden in allerlei kranten gepubliceerd, die door Marijke trots werden rondgemaild. Er zijn zelfs kamervragen over gesteld. Ook al heb ik al meer dan een jaar geleden een 8,5 voor mijn verslag gekregen, nu is het pas echt klaar en voelt het echt goed.

Meer informatie?

Marijke Malsch, Robin Kranendonk, Jan de Keijser, Henk Elffers, Martha Komter & Meike de Boer (2015). Kijken, luisteren, lezen. De invloed van beeld, geluid en schrift op het oordeel over verdachtenverhoren. Politiewetenschap 79, Politie en Wetenschap, Apeldoorn. Amsterdam: Reed Business.

Zie ook onze overige publicaties hier.

Hoofdfoto: Foto door PxHere

Eén reactie

Geef een reactie op Welkom op Lingua Forensica! – Lingua Forensica Reactie annuleren